vosje
© Gerrit Vosmeijer


Dammen met Gerrit


Kaplan GMI


damset




Geheimen in de opsluitingen 1, (1990-4) door: GMI Kaplan.

1

 

De situatie aan de linkerkant van het bord valt onmiddellijk op. Drie witte schijven houden daar vijf zwarte schijven vast. Dit leidt tot een kwantitatieve meerderheid van wit op de rechter bordhelft. Door de opsluiting is het eigenlijk zes tegen vier. Wit blijkt hierdoor gemakkelijk te kunnen winnen. Bekijk de eindstand waar zwart moet offeren en zal verliezen.

2

 

Na 1. 33-29 staat 14 buitenspel!!! 1. ... 12-17?
De stand van dia 2 heeft een dergelijke opsluiting op de rechter vleugel van wit. Maar anders dan in dia 1 staat wit, de opgesloten partij, er beter voor. Vooral dankzij de beheersing van de centrumvelden. Daar komt bij dat de zwarte schijven 15 en 20 achtergebleven zijn en inactief. Zodoende heeft zwart nu ook geen numeriek overwicht op de linker bordhelft. Door 1. 33-29 bouwde wit de start 29/34/40 op terwijl 14 tegelijkertijd buiten spel gezet werd.

1. ... 06-11 Op 1. ... 12-17? zou 2. 39-33 +1 volgen.
2. 32-28 11-17 3. 37-32 17-21 4. 28-22 en z. gaf het op.

Het voorbeeld laat zien dat een numeriek onvoordelige opsluiting op de rechter vleugel niet per se een negatieve factor hoeft te zijn. Het hangt er maar van af hoe het met de overige stukken gesteld is. De opsluitende partij kan voordeel hebben als hij gelijktijdig een numeriek overwicht heeft op de andere vleugel, zoals in dia 1. Maar het blijft dan wel nodig om bedacht te zijn op een mogelijke versterking van het centrum van de opgesloten partij, waarbij tactische mogelijkheden soms doorslaggevend kunnen zijn.

3

 

Door een onverwacht offer kwam wit zeer goed uit de opsluiting! Zwart kon dus de dam op 48 niet maken en verloor een schijf. Bovendien kreeg wit een sterk centrum. Erg leerzaam.

3a

 

Lijkt me een zinvolle studie.

4

 

In dia 4 kon wit van de vele gaten in de zwarte opstelling gebruik maken door met
1. 34-29!
zich uit de opsluiting te bevrijden. Indien zwart niet 30-34 speelt volgt 40-34 met een duidelijk ruimtelijk overwicht.

5

 

Uit positioneel oogpunt is de witte stand niet erg bevredigend. De opsluiting op de rechtervleugel klemt te meer, omdat de belangrijke steunschijf op 50 ontbreekt.
Wit maakt gebruik van tactische mogelijkheden om zich te bevrijden.

1. 34-29

Omdat zwart deze voortgang niet mag nemen vervolgt wit met 2. 40-34.
De opgesloten partij blijkt er vaak goed aan te doen om zijn strategie niet te richten op een bevrijding van de rechter vleugel maar op versterking van het centrum. Het bezetten van de belangrijke velden daar blijkt bovendien vaak tactische dreigingen te scheppen.

6

 

Om dia 6 op waarde in te kunnen schatten moeten de volgende punten worden overwogen:
speel de stand even uit tot en met zet 3 van wit.
1. In numeriek opzicht is de opsluiting op de rechtervleugel neutraal, omdat schijf 20 min of meer buitenspel staat.
2. Zwart heeft een duidelijk tekort aan opbouwzetten.
3. 21 staat ongelukkig opgesteld. Wit blijkt hierdoor ook nog het belangrijke veld 27 te kunnen bezetten. Wit beheerst dan het centrum definitief en kan ook nog eens de belangrijke staart 29/34/40 tot stand brengen. Al met al blijkt wit belangrijk strategisch voordeel te hebben. Speel het standje eens uit. Wit heeft nu drie doelen berijkt.
1. hij bezet het belangrijke veld 27.
2. de staart 29/34/40 is bereikt
3. de tactische dreiging 37 beperkt zwarts opbouwmogelijkheden verder.