vosje
© Gerrit Vosmeijer


Dammen met Gerrit


Kaplan GMI


damset





Geheimen in het positiespel bij wederzijds flankspel 1, (1991-2) door: GMI Kaplan.

1

 

1 en de snelheid waarmee voortgezet kan worden. In deze stand heeft wit beslissend voordeel omdat zijn schijven klaar staan voor de aanval, terwijl zwart eerst nog 3 opbouwzetten (12-17, 17-21 en 21-26 moet doen. Ook het lege veld 5 is van wezenlijk belang. Bekijk even dat na 1. 30-24 10-14 verplicht is, anders volgt winnend 29-23 enz.

2

 

Om een stand met wederzijds flankspel goed te kunnen beoordelen, moeten ook de meer of minder diep verborgen tactische mogelijkheden in rekening worden gebracht. Op het eerste gezicht lijkt zwart in dia 2 belangrijk voordeel te hebben. Zwart bezet het strategisch belangrijke centrumveld 28, waardoor de witte stelling gespleten is. Maar na 1. 43-38 blijkt toch wit de beste kansen te hebben. Zo wordt 1. ... 13-19 2. 24x13 09x18 weerlegd door het winnende offer 3. 36-31 27x36 4. 38-32.

Op 1. ... 13-18? volg het diagram.

2a 04-09? 04-10?

 

Na 04-09 wint ook fraai het iets duurdere 2b.

2b

 

En dat alles met zo weinig materiaal!

3

 

In dia 3 is 1. 29-24! mogelijk omdat 6 onbezet is. 14-20 is nu gedwongen. In deze standen met wederzijds flankspel zijn uiteenlopende strategieën mogelijk zodat moeilijk algemene richtlijnen te geven zijn. In plaats daarvan worden hier enkele essentiële principes geïllustreerd.

4

 

In dia 4 heeft een onmiddellijke aanval met 1. 24-20 geen zin omdat wit daarna geen enkele kans heeft op een doorbraak op deze flank. Het beste plan voor wit is om het belangrijke veld 28 te veroveren, om daarna schijf 22 te verwijderen en zodoende een sterk centrum op te bouwen. Alleen na deze voorbereidende opbouw kan een verdere aanval op de rechterflank worden overwogen. 1. 38-32! 22-27. Als zwart niet ruilt schuift wit naar veld 28 door. Na het uitspelen van de stand zal wit vervolgen met de strijd om 23 met een gezond en hoopvol positioneel overwicht.

5

 

In dia 5 kan wit door 1. 29-23! de samenwerking tussen de twee gescheiden flanken van zwart verder tegengaan omdat veld 18 onbezet is. Dat is een dodelijke zwakte. De aanval 1. ... 13-19 helpt zwart niet wegens 2. 25-20 14x34 3. 23x03. Dus moet zwart wel 1. ... 04-10 spelen.

6

 

Een onbezet veld 03 of 48 maakt de linkerflank vaak extra kwetsbaar. Na 1. 30-24 verkeert zwart in een hopeloze situatie. Het vervolg 1. ... 14-19 faalt immers op 2. 29-23 18x20 3. 25x03. Na 1. ... 04-10 2. 37-31 waarna 14-19 nog steeds verhinderd is.

7

 

In dia 7 kan wit door 1. 34-30 een sterke staart maken. Extra sterk omdat zwart geen schijf op 03 heeft. Het is niet moeilijk om in te zien, dat zwart nu geen verweer heeft tegen de dreiging 24-19, gevolgd door 25-20. Het komt voor dat een effectieve aanval op de linker vleugel van zwart verhinderd wordt doordat wit een schijf op 34 heeft. In dia 8 is dit het geval.

8

 

Omdat 24-20 niet kan moet wel 1. 34-30 Wits zwakke linkervleugel zal nu nog verder verzwakt worden.

9

 

In dia 9 houdt wit het initiatief door de zwarte voorpost weg te ruilen, hier mogelijk omdat het gebruikelijke 2. ... 22-28 niet goed kan. De nu gevolgde spelgang zal ook wel verliezen.